çapulcu redaktionskollektiv
IT - De technologische aanval van de 21ste eeuw (2017)
De volgende tekst is een vertaling van de inleiding uit DISRUPT! Widerstand gegen den Technologischen Angriff. Online beschikbaar als PDF en daarnaast in druk verschenen bij uitgeverij Unrast in oktober 2017 (ISBN: 978-3-89771-240-9, 160 pagina’s).
De illustratie op de omslag is overgenomen van de filmposter bij de première van “Metropolis” van Fritz Lang uit 1926. |
![]() |
Gezien de soms positieve, soms boosaardige reacties op het presenteren van innovatieve technologieën als technologische aanval, komen we er niet omheen vooraf een opmerking te maken over onze grondhouding. De kritiek schildert ons af als mensen die, net als de orthodoxe gelovigen van "De Wachttoren", onthouding prediken, weer terug willen naar de steentijd of, nog erger, terug de bomen in. Het is niet eens zozeer de agressiviteit van zulke bezwaren die ons ergert. Het is het tactische en slim bedachte misverstand dat eraan verbonden is. Want we willen immers niet terug, integendeel: we willen vooruit. Vooruit echter op een revolutionair pad, niet op een pad dat een verdere kapitalisering dient. Om dit te begrijpen, moeten we ons beseffen dat het juist de kapitalistische innovatietheoretici en strategen zijn die innovatie als een allesomvattend offensief zien, als een alomvattende schok. Een schok die zich niet alleen richt op de afbraak en reorganisatie van de arbeid, maar van de hele samenleving op al haar gebieden, van werk tot transport, gezin tot uiteindelijk onderwijs en cultuur. Ze zien innovaties niet louter als "uitvindingen". Zij zien ze als het inzetten van basistechnologieën die het potentieel hebben tot ingrijpende verwoestingen of ook "disrupties" en reorganisatorische onderwerpingen en aanpassingen. Dergelijke technologieën worden vanwege dit potentieel ook wel "general-purpose-technologies" genoemd. Dit zijn technologieën met uitgebreide toepassingsmogelijkheden, zoals bijvoorbeeld de elektrisch aangedreven lopende band of het algoritme, die – zoals Joseph Schumpeter, naast Keynes de belangrijkste kapitalistische econoom van de 20e eeuw en nu opnieuw de meest gezaghebbende econoom van de 21e eeuw, het verwoordde – een potentieel hebben voor een alomvattende "creatieve destructie". De vernietiging van de oude en de creatie van een nieuwe economie en haar samenleving. Een sociaal-politieke bom dus met meerdere kernkoppen, om beeldend de essentie aan te geven. Een verwoesting van de oude vormen van werk en leven in algemene zin met als doel de onderwerping aan een nieuw technologisch regime. Om de verhouding tussen twee antagonistische vormen van vooruitgang te illustreren, die van het kapitaal en die van de sociale revolutie, hebben we weleens onderscheid gemaakt tussen "technologie" en "techniek". "Technologie" als het uitoefenen van het aan innovatie, aan de technologische aanval inherente geweld, met als inzet alle dimensies van de samenleving te onderwerpen. "Techniek" als de bruikbaarheid van objecten. Natuurlijk kunnen ook smartphones nuttig zijn, vooral bij zelfhandhaving en strijd. Het is immers altijd zo geweest dat in het verzet het gebruik van uitvindingen is omgedraaid en tegen de innovatieve barbaren is ingezet. Maar dit ontneemt hen niet hun functie in de kapitalistische aanval. Innovatie utiliseert een uitvinding en maakt die als een "general-purpose-technology" tot uitgangspunt van een strategie van onderwerping en implementering die trendmatig in alle levensgebieden doordringt. We overwegen welke producten van nieuwe technologieën we in de strijd om bevrijding kunnen gebruiken. Daar zijn zeker risico's aan verbonden, omdat we door het dagelijks gebruik verstrikt kunnen raken in de kapitalistische onderwerping. We moeten dit door zorgvuldige toetsing van onze houdingen bestrijden. Dit betekent dat de aandrijvers van deze creatieve vernietiging zelfs dan van een technologische aanval uitgaan, daar waar de verspreiders van de moedwillige misverstanden alleen neutrale, schone technologie willen zien. Waarom doen ze dat? Dit tactische misverstand heeft een duidelijke functie: het geweld van het offensief onzichtbaar maken, enkel en alleen om die beter en zonder hindernissen te kunnen gebruiken of te ondersteunen. En dit is des te schandelijker omdat dat wat ze gelijktijdig onzichtbaar willen maken, de hele rijkdom van de menselijke samenleving is, de rijkdom van de weerstand tegen de vernietiging en van zijn zelforganiserende potenties, de rijkdom die zich niet reduceert tot meer- en geldwaarde, maar zich uitdrukt in de vormen en inhouden van menselijke communicatie en de diversiteit van menselijke activiteiten, mogelijkheden, toekomstprojecten en utopieën. Tegenover deze rijkdom – zo zag ook Marx het – is de wereld van technologieën een arme wereld, als dode machine en dode munt eigenlijk helemaal geen wereld. Ze is naaktheid, dood, het niets, en haar verwezenlijking betekent vernietiging. Vernietiging van autonomie, een eigen wil, resistente levensprocessen. Wat wij nastreven is de vooruitgang (om dit akelige woord hier eenmaal te gebruiken) van sociale rijkdom, niet de vooruitgang van armzalig technologisch geweld. Het moet zich, want anders zouden we immers nog steeds in de Hof van Eden zijn, noodzakelijkerwijs in de strijd tegen de technologische aanval ontwikkelen en zijn eigen vormen realiseren. Zo zijn dus de nieuwe technologieën en alles wat er zogenaamd mooi aan is, weliswaar realiteit, echter niet de gehele realiteit, maar een extreem magere, een gewelddadige werkelijkheid, uiteindelijk eerder een onwerkelijkheid. Natuurlijk is de rijkdom waar we het over hebben altijd bitter. Want zijn verbondenheid met de strijd, met de beproevingen van de gevechtssituatie en de door de kapitalisten veroorzaakte ontberingen, geven hem een bittere noot. Een bittere noot, waar de daders van het geweld zelfs cynisch op wijzen door te zeggen: Kijk eens, sluit je bij ons aan, geef je over, dan krijgen jullie het goed. Goed? De onderwerping aan het technologische regime betekent niet alleen een stuk vernietiging van het mens-zijn, maar altijd ook misère, omdat immers de winsten gedekt moeten worden en daarmee voor rekening van de slachtoffers komen. Vroegere historische cycli van de technologische aanval en de creatieve vernietiging (zie hieronder) hebben ons de algehele werkelijkheid laten zien. De werkelijkheid van revolutionaire bewegingen die zich niet uitdrukten in onderwerping en aanpassing aan de eisen van de technologische aanval, maar in zelfhandhaving en verzet. Of meer precies: in het ontvouwen van een rijkdom, van utopieën en deels verwerkelijking van nieuwe manieren van menszijn, van sociale gemeenschappelijkheid, van levenswijzen. Ze ontplooien zich niet in afhankelijkheid en in het arrangement of in "verzoening", maar in de confrontatie met de aanval. Ze ontwikkelen daarbij – gefaseerd in historische cycli van strijd – een rijkdom aan mogelijkheden van niet-kapitalistische manieren van leven, die niet door de nieuwe technologieën worden geproduceerd, maar zichzelf creëert en uitvindt in de confrontatie met haar, in het leven ertegen. De geschiedenis van deze rijkdom kunnen we hier niet behandelen. Dit is een boek over de technologische aanval. We vinden het echter belangrijk om te benadrukken, dat we het schrijven vanuit de oriëntatie op het historische proces van de sociale revolutie. Activisten hebben een idee van dat wat we bedoelen. Ze hebben het vaak meegemaakt: in de relaties die in actiekampen ontstaan, in de manier van met elkaar omgaan, de ontwikkeling van echt vertrouwen, dat alleen dan ontstaat als je niet via een smartphone contact hebt maar elkaar in de ogen kijkt en in de verscheidenheid van fysieke aanwezigheid samenleeft. Misschien niet echt zo leeft, maar voor een tijd dicht bij elkaar bent voordat er teruggekeerd wordt naar het door het kapitaal gedomineerde dagelijkse leven. Maar het is desalniettemin een gewaarwording. Zoiets hebben mensen in de afgelopen eeuwen dikwijls steeds opnieuw met elkaar beleefd, echter helaas niet in de vrijetijdssituatie maar in de volledige realiteit van de existentiële strijd, zeg maar op de harde manier, in de sociale vormen van verzet. EEN KLEINE GESCHIEDENIS VAN DE INNOVATIE-AANVALLEN Zo dienden in de zogenaamde "industriële revolutie" nieuwe machines (stoommachines, automatische weefgetouwen, etc.) er niet alleen voor om traditionele arbeidsvormen en daarop gebaseerde leefgewoonten te vernietigen, maar vooral om de hele bevolking "op te schudden". Ze maakten deel uit van een allesomvattende aanval. Op de vernietiging van machines door opstandige arbeiders en ambachtslieden stond de doodstraf. De alliantie van regering en ondernemers, die zich vanuit het ambachtswerk tot een nieuwe heersende klasse tegen de adel emancipeerden, had in Engeland een tijdlang 12.000 man sterke milities in dienst voor intimidatie en opstandsbestrijding (counterinsurgency). De ambachtslieden en arbeiders hadden niets tegen verbeteringen in hun werk. Ze verzetten zich ertegen slaaf gemaakt te worden van een ontwikkeling die hen reduceerde tot aanhangsels van de machine en hen sociaal en ook politiek opzij zette. Ze vochten tegen hun onderwerping en voor hun relatieve onafhankelijkheid, ze wilden niet in "menselijke machines" veranderd worden. De conflicten was hard en grimmig. Met tegenzin vernielden de ambachtslieden de machines en alleen dan wanneer het echt nodig was. Het verzet was niet blind, maar uiterst bedreven. Vernielingen en “riots” waren vaak slechts indrukwekkende middelen in onderhandelingen over politiek en lonen ("bargaining by riot"). Het was de veelzijdigheid aan verbitterde strijd waarmee zij de middelen van overleven verzekerden, maar ook het geluk en de rijkdom van zelfhandhaving en eigenheid voortbrachten en beleefden. Mensen die zich vandaag in militante strijd verwezenlijken, weten wat dat betekent. Maar het was natuurlijk net als nu nooit een "volslagen" succes. Het was tegenspoed en geluk, het was saamhorigheid, diversiteit, zelfbewustzijn en zelfbevestiging in een sociale context met anderen. En zo was het altijd het ontwikkelen van een nieuwe samenleving die niet eerder had bestaan, nieuw en "progressief" zoals wij die begrijpen. En het was niet samenleven als toestand, maar als proces. Toestand is dood, beweging is leven. Zo was ook de "markt" niet de oorzaak van de ontwikkeling, zoals vaak wordt gezegd. "Bargaining by riot" was strijd, zoals tegenwoordig elke militante staking. De "markt" en zijn zogenaamde "politieke economie" werden juist in de loop van deze golf van geweld gerealiseerd. Marx noemde de machines "oorlogsmiddelen" van het kapitaal. En daarmee had hij bij uitzondering gelijk. Bedachtzaam behield hij ondanks zijn revisionistische dwalingen tot op hoge leeftijd een zekere ambivalentie in de politiek-economische beoordeling van technologie. De volgende golf van innovatief geweld werd rond de kern van de nieuwe machine- en wapenindustrie (Krupp, Borsig, Carnegie, US Steel) ontketend. Het nieuwe fabriekssysteem richtte zich tegen de bewegingen van de jaren ‘40 van de 19e eeuw, de zogeheten "Vormärz". Ook hier ontwikkelde zich hetzelfde antagonisme tussen het armzalige geweld van de technologische aanval en de rijkdom die de strijdende mensen in hun zelfhandhaving en zelforganisatie ontplooien. De daaropvolgende golf van geweld werd rond de elektro- en chemische industrie opgestart. Zij was nauw verbonden met de vormen van gedragsdisciplinering en mentale africhting door taylorisme en fordisme. Haar materiële kern lag in de aanval van de technologie van de elektrisch aangedreven lopende band en zijn utopie op de hele samenleving. Als zijn centrale "uitvinder" of "innovator" noemde de Amerikaan Frederick Taylor zelf zijn systeem uitdrukkelijk “oorlog" tegen de autonomie van de arbeiders (voornamelijk gemigreerde boerenarbeiders*) en hun ongereguleerde levenswijzen. De oorlogsstrategie was erop gericht om het werkgedrag en bovendien het hele levensproces in strikt gedefinieerde losse onderdelen op te splitsen om ze in lopende-band modus nieuw samen te voegen en zo onder de controle van het kapitaal te dwingen, verbonden met een enorme productiviteitsgroei en daarmee financiële winsten. De vormen van zelfverdediging en zelforganisatie in de confrontaties ermee waren zeer divers. Het verzet tegen het als barbaars beleefde systeem van de lopende band en zijn imperialistische expansies reikten van de strijd van boeren en boerenarbeiders in Rusland via de strijd van migranten in de Verenigde Staten, tot aan de Zapatistische opstand in Mexico en de Latijns-Amerikaanse en Aziatische opstanden. Zij plaatsten zich net als alle voorgaande in de historische keten van de revolutionaire "vooruitgang", aan wiens voorlopig laatste en historisch nog helemaal niet uitgekristalliseerde schakel wij met onze bijdragen willen deelnemen. DE OORSPRONG VAN DE IT-AANVAL Het antagonisme van sociaal-revolutionaire processen en technologische aanval kenmerkt ook de informatietechnologische innovatiegolf. Zij kreeg haar eerste impulsen al tijdens de Tweede Wereldoorlog als uiting van oorlogszuchti-ge concurrentie. Een pionier halverwege de jaren dertig was de Duitser Konrad Zuse, die uiteindelijk in 1944 zijn Z4-computer tot een bepaalde volwassenheid bracht, echter zonder dat de nazi's hem nog konden gebruiken. Kort na Zuse begonnen eind jaren dertig de Anglo-Amerikaanse initiatieven die, vooral qua organisatielogica en op software-gebied, hem snel voorbijgingen. Nog steeds aan de oorlogszuchtige concurrentie gebonden, had in dit domein de briljante wiskundige John von Neumann een beslissende rol bij de ontwikkeling van de atoombom (volgens hem waren tegen nazi's en communisten 1.000 stralingsdoden bij tests een acceptabele prijs voor de Amerikaanse hegemonie). De vroege computergiganten Colossus, EDVAC en ENIAC waren vruchten van de oorlogseconomie. De verdere ontwikkeling liet opnieuw de historisch typische opkomst uit een emancipatieproces zien van nieuwe ondernemende bazen. Van het eerste halfgeleider-bedrijf, Shockley Semiconductors, scheidden de "verraderlijke acht" zich af. Het waren in dienst genomen ingenieurs die het knalharde fordistische management onder de autocraat Shockley zat waren. Onder hen was ook Gordon Moore (later oprichter van Intel en bedenker van “Moore's Law” die stelt dat rekenkracht ongeveer elke twee jaar verdubbelt). Platte hiërarchieën, samenwerking en plezier waren hun credo. Hierbij past dat Moore's favoriete film de "Muiterij op de Bounty" was – het verhaal van een persoonlijke en seksuele bevrijding van de strenge autocratie van een meedogenloze kapitein (een tijdgeestproject, dat volledig aan de historische gebeurtenis voorbij gaat). Dienovereenkomstig was de historische technologische ontwikkeling ingebed in een brede culturele, vooral jeugdculturele, emancipatiebeweging, die haar muzikale uitdrukking vond in rhythm & blues, Elvis the Pelvis en opbloeiende pop. Zij begon het maatschappelijke disciplinaire netwerk van het Fordisme/Taylorisme te verscheuren. Haar hoogtepunt bereikte ze in de maatschappelijke revoltes van 1968 tegen alle dimensies van de fabrieksmaatschappij, gebaseerd op de anti-imperialistische opstanden in haar periferieën. Dit was de werkelijke oorzaak van een algemeen maatschappelijke en tegelijkertijd economische crisis. Tot op heden zijn de emancipatorische sporen niet volledig uitgewist en zijn afzonderlijke stromingen, waaronder de aan links verwante hackersbeweging, nog in leven. Toen de emancipatorische geest in de jaren negentig onder de macht – en hebzucht – van de nieuwe IT-ondernemersklassen ter ziele was gegaan, vielen de Fed (de Amerikaanse centrale bank) onder leiding van Alan Greenspan en Clintons economisch adviseur Lawrence Summers de, ondanks Reagan, nog steeds sterke onderhandelingspositie van de Amerikaanse arbeiders en hun leefwijzen aan door het massaal promoten van informatietechnologieën. Dit uitdrukkelijk (Greenspan, Summers) in een proces van "creatieve destructie" dat in 1995 werd gelanceerd, de vernietiging van de oude wereld en het creëren van een nieuwe. Tegelijkertijd met als doel om de Amerikaanse economie technologisch naar de top van de wereld te leiden. Dit is gelukt en heeft haar een voorsprong van ongeveer 15 jaar gegeven. Deze aanval is nog lang niet afgelopen. Nieuwe studies verwachten voor de VS een technologisch veroorzaakt verlies van gemiddeld 50% van de banen binnen één tot twee decennia, verbonden met een enorme toename van technologisch voortgebrachte kapitalistische macht. Het vermogenseffect weerspiegelt dit – in de persoonlijke rijkdom van de topbestuurders in de informatietechnologie en de technologisch gemoderniseerde banken, gekoppeld aan een dramatische devaluatie van de oude middenklassen, die naar de laagbetaalde dienstensector werden gedreven. En voor wat betreft het vermogenseffect op de samenleving als geheel: het bruto nationaal product van Californië (Silicon Valley) heeft dat van Brazilië en Rusland achter zich gelaten. Het gewelddadige en machtskarakter van informatietechnologieën komt ook duidelijker naar voren: wie de software maakt, bepaalt de processen van haar toepassing tot aan het sociale doen en laten aan toe. Al met al zien we hier dus alleen maar een volgende historische boost van geweld en macht met enorme perspectieven van intensivering en versterking. Ze staan pas aan het begin. In feite tilt dit alles Taylors "oorlog van het Scientific Management" naar een nieuw niveau. De IT-aanvalsgolf van creatieve vernietiging surfte op twee enorme, door de Fed aangejaagde vloedgolven van monetaire liquiditeit, zogenaamde "bubbels". De eerste is als de "New-Economy-bubbel" in 2000 ingeklapt en doorgezet in een tweede, nog veel grotere bubbel. Die knapte in 2008 en had de bijna volledige ineenstorting van de hele wereldeconomie tot gevolg. Die werd snel opgevangen met een nieuwe golf ("tsunami", aldus Greenspan), die de wereldwijde schuldenlast verder oppompte, tot aan het huidige zeer crisisgevoelige niveau van 215 biljoen dollar. Ook op deze tsunamigolf surfte de innovatie-aanval van de IT-industrieën. Als er tegenwoordig geklaagd wordt over de wereldheerschappij van Google, Facebook, Salesforce, Uber en hun clustervormige concentratie in Silicon Valley, Boston, Austin/Texas, dan was precies dit het verklaarde doel van deze bubbels. In de loop van dit proces werden de krachten van de sociale revolutie in een defensief gedrongen, waarvan we de diepte tot nu toe nog niet hebben doorgrond. Aangezien het offensief een antwoord op de sociale revolutie was, stelt zich de vraag naar haar met het nu bereikte historische stadium van het antagonisme opnieuw en dringend. HET ECHTE PROCES Om de werkelijkheid van de ontwikkeling van informatietechnologieën tot vandaag toe te begrijpen, moeten we beseffen dat je niet simpelweg technologische, economische, politieke, sociale ontwikkelingslijnen kunt isoleren en ze elk voor zich bekijken. Ze maken allemaal deel uit van een samenhangende historische innovatiedynamiek. De in nauwere zin economische kant hoort erbij, omdat het bereiken van winsten en economische machtsposities (de met elke innovatie-aanval verbonden monopoliepositie van "als eerste op de plaats") innovatiebeslissingen van de actoren stuurt. Politieke en sociale aspecten horen er ook bij, omdat sociale reacties (zoals momenteel de populismen) een grote rol kunnen spelen bij de uitvoerbaarheid. Ook de dynamiek komt absoluut niet uit één enkele hoek, integendeel. Het opduiken van bruikbare innovaties gebeurt meestal toevallig (“random”), volgt zelden een logica. Zo ontstonden grote versnellingen binnen de innovatie-aanval uit zulke ‘vondsten’. Een voorbeeld: de smartphone, een plotseling opduikende regelrechte "game-changer", was weliswaar een systematische doorontwikkeling van het internet, maar desalniettemin op een bepaalde manier verrassend. Dit kan afgeleid worden uit het feit dat Nokia kort daarvoor de ontwikkeling van de smartphone vrijwel productieklaar had, maar die weer had stopgezet, voordat het daarna bliksemsnel losbrak. Pech gehad. Hiertoe behoort ook de actuele "on-demand"-hype van de zogenaamde "Uberisering". Ze domineert de huidige dynamiek, is echter ook niet het herleiden naar een vooropgezet plan. Conclusie: de innovatie-aanval verbreid zich bijzonder grillig, vormt paden, volgt die soms niet verder, opent verrassend nieuwe wegen die voordien nog niet eens waren aangelegd. Terugblikkend is natuurlijk een 'logica' van padvorming te herkennen en te 'analyseren'. Maar pas nadat de geschiedenis van het innovatieoffensief hen heeft vastgelegd. Als we dus in dit boek bepaalde lijnen, opties, ingeslagen paden thematiseren, dan moet men dit onder voorbehoud opvatten. Het is een "idealiter" benadering. De werkelijkheid echter is een complex proces waarin de bovengenoemde technologische, economische en sociale lijnen samenkomen en zich met elkaar verweven. De realiteit is alleen dat wat zich verwerkelijkt en voor zoverre het zich verwerkelijkt. Het historische proces is uniek en kan niet uit enige logica of wetmatigheid worden afgeleid. Daarentegen kan die uiteindelijk alleen worden voorgesteld binnen het gedachtenkader van een antagonisme tussen een complexe technologische aanval aan de ene kant en verzet, weerstanden, facetten van een sociale revolutie als het vluchtpunt van de dynamiek aan de andere kant. Zo is het zeker zinvol om zich de "technologische aanval", of beter gezegd het innovatieoffensief, voor te stellen als een zich ontvouwende en verdiepende frontvorming die niet door een centraal commando wordt geleid, maar zich in diverse verspreide offensieven realiseert. De offensieven in detail te beschrijven is op deze plek niet mogelijk. De bijdragen in het boek geven een goed beeld van hun speerpunten. Grofweg kan men de zojuist geschetste lijn volgen. Als toegang tot internet via smartphone een onvoorziene doorbraak was, gold dat ook voor Google's opkomst. Het Amerikaanse tijdschrift “Wired”, altijd aan de pols van de IT-beweging, heeft diens ontstaan gezien in een ontmoeting tussen de Google-oprichters Sergey Brin, Larry Page en durfkapitalist Hal Varian (nu hoofd van de economische staf bij Google). Hal Varian was van mening dat een nieuwe zoekmachine naast Yahoo saai was en men dat niet nodig had. Brin en Page legden vervolgens uit dat ze niet een zoekmachine op het oog hadden, maar de mensen die zoeken. Varian was geëlektriseerd, en dat was het begin van de waarschijnlijk belangrijkste explosieve ontwikkeling. Big Data werd toen noodzakelijk voor het kunnen beheren van de enorme hoeveelheden data en IT – de technologische aanval van de 21e eeuw "Cloud Computing" (Salesforce, Amazon, IBM, en uiteindelijk ook SAP) – om de inbeslagname en onteigening van data in de gigantische servers van de eerder genoemde oligopolisten te rationaliseren en te hegemoniseren. Als een volgende schokgolf liep Uber in 2009 op hen in doordat het met een nieuwe strategie de door twee crises gedevalueerde Amerikaanse middenklasse bereikte. Dit leidde tot de onteigening en het productief maken van alledaags gedrag met een nieuwe "on-demand economie" die steeds verder om zich heen grijpt. De huidige kern van de technologische aanval is de "kunstmatige intelligentie" (AI). Haar toepassingsgebieden zijn nauwelijks te overzien. De gezondheidssector, de zelfrijdende auto's en de game-industrie spelen hier een grote rol. De protagonisten profileren zich in het openbaar met buitensporige beloften dat het algoritme mensen en hun samenleving zal overnemen. Het hoofdstuk over AI in dit boek laat zien hoe onhoudbaar ze zijn. Maar juist deze onhoudbaarheid onthult echt haar gewelddadige karakter en de omvang van het geweld dat te verwachten is van de strategieën van onderwerping van de menselijke samenleving door AI. Over de Industrie 4.0 wordt momenteel alleen maar gepraat, ze is nog niet volledig uit de startblokken. Het "internet der dingen" bevindt zich eveneens in een stadium van kleine stappen vooruit. Hetzelfde geldt voor de initiatieven voor een "slimme stad", die echter nu al wereldwijd leidt tot de verdringing van mensen die door het innovatieoffensief zijn "gedevalueerd". Als men de "realiteit" van de ontwikkeling volledig wil begrijpen, moet men ook de crisisgevoeligheid van het innovatie-offensief meenemen. Op dit moment heeft die een zodanige uitwerking dat de technologisch geïnduceerde productiviteitsgroei afneemt (althans volgens de belangrijkste voorspellers) en we op de rand van een technobubbel staan die de dynamiek van innovatie en groei verstoort. De crisis wordt als een aanzienlijke vertraging, zelfs als stilstand gezien in de zin van een grote depressie. Steeds meer economisch toonaangevende spelers en centrale banken nemen ideeën van een "buitengewone stagnatie" in hun scenario's op, zoals die voor het eerst eind jaren dertig in de VS breed werden be-discussieerd. Destijds betekende dit twee dingen: een daling van investeringen bij een gelijktijdige intensivering van technologische offensieven in een aantal uitgekozen sectoren. In die tijd werd het "probleem" door de Tweede Wereldoorlog opgelost, de bloedigste oorlog aller tijden. Zonder in detail te willen treden, kan vandaag ten minste op sociale en politieke blokkades gewezen worden, die op de wereldwijde stagnatie reageren en van hun kant de stagnatie verscherpen. Daartoe behoren ook de nieuwe populismen. Het populismeonderzoek behandelt ze als een reactie van de verliezers in de modernisering. Deze reacties kennen we uit de geschiedenis, vooral uit de tijd vóór de grote oorlogen. Gedevalueerde oude middenklassen zien hun traditionele levenswijzen, de vertrouwde politieke vormen en hun "waardencanon" aangevallen of op zijn minst bedreigd en verlangen de terugkeer. In wezen verbinden ze dit echter met aanspraken op deelname aan de vruchten van het innovatieve geweld, en dat bepaalt hun bijzonder gevaarlijke karakter. Zo behoort dan ook de plotselinge golf van populismen tot de "werkelijkheid" van het innovatieoffensief in bredere zin. De gewelddadige reactie op de vluchtelingen, die vanuit de verslechteringen van hun leef- en werkomstandigheden - ten gevolge van de door innovatie veroorzaakte productiviteitsverschillen en de daarmee samengaande oorlogen - hun aanspraken naar de metropolen brengen, zit op dezelfde golflengte. Capulcu zal juist ook deze ontwikkeling nauwlettend in de gaten houden. Natuurlijk – omdat dit ons grootste punt van zorg is – in het perspectief van een consolidatie van de "sociale revolutie" vanuit de facetten van verzet en strijd. Deze "sociale revolutie" is weliswaar nog niet zichtbaar, maar alleen zij zou in staat zijn de toename van het geweld tot genocidale processen aan toe zoals deze momenteel al herkenbaar zijn, tegen te gaan.
Noot van de vertaler: * Mensen die ook buiten de landbouw werken, zowel boer als arbeider zijn. |
